Belastingrechter merkt recreatiewoning als hoofdverblijf aan

Renteaftrek is in principe niet mogelijk voor een tweede woning. Soms is onduidelijk welke woning eerste woning is en welke tweede woning. Over deze vraag ging de navolgende procedure voor de belastingrechter.

Een man is huurder van een woning in A, alwaar hij ook met zijn gezin staat ingeschreven. Het gezin beschikt ook over een recreatiewoning in B. Inschrijving als inwoner in de gemeente B is niet mogelijk, omdat het een recreatiewoning betreft. De gemeente B gedoogt bewoning van recreatiewoningen echter wel gedurende het gehele jaar. Volgens de man verblijven hij en zijn gezin het grootste deel van het jaar in de recreatiewoning zodat deze volgens hem kan worden aangemerkt als eigen woning. Het belang is gelegen in de aftrekbaarheid van de hypotheekrente.

Gerechtshof Den Haag geeft de man gelijk. Voor de inkomstenbelasting is niet van belang dat het op grond van gemeentelijke regelgeving niet is toegestaan de recreatiewoning als hoofdverblijf te gebruiken. Het gezin verblijft voor het overgrote deel van het jaar in de recreatiewoning, ook de feestdagen en verjaardagen worden er gevierd en de familie en vrienden worden er ontvangen. Het gerechtshof vindt ook van belang dat nagenoeg alle boodschappen uitsluitend in de gemeente B worden gedaan. Dat had de man met bankafschriften aangetoond. De recreatiewoning vormt daarom de centrale levensplaats van de man en zijn gezin.

Als men een recreatiewoning als hoofdverblijf wil aanmerken, heeft men de schijn tegen zich. Men zal dit dan, zoals de man in de beschreven procedure met succes had gedaan, met feiten moeten aantonen.

Bron: Hof Den Haag 24 mei 2011, nr. 10/00344.