Sociale partners eens over pensioenleeftijd

De ingangsleeftijd voor het AOW-basispensioen en die van het aanvullend bedrijfspensioen gaat van 65 naar 66 jaar in 2020. Dit staat in het conceptakkoord dat werkgevers en werknemers zijn overeengekomen en dat het Financieele Dagblad ingezien.

Al voor de geplande invoering in 2020 wordt gestudeerd op nieuwe verhogingen van de pensioengerechtigde leeftijd. Vanaf 2015 wordt iedere vijf jaar op basis van de dan geldende levensverwachting gekeken of er tien jaar later, dus in 2025, opnieuw een leeftijdsaanpassing moet volgen. Het nieuwe kabinet kan volgens ingewijden niet om het plan van de sociale partners heen.

De wens van de vakbeweging om werknemers die zwaar werk verrichten en laagbetaalden te ontzien bij een verhoging van de pensioenleeftijd wordt niet ingevuld. Wel wordt bekeken of werknemers na een minimaal aantal werkjaren, bijvoorbeeld 45, toch een volledige AOW ontvangen. Plannen om het werken voor ouderen aantrekkelijker te maken, zijn op de lange baan geschoven.

Voor de bedrijfspensioenen wordt met de verhoging van de pensioenleeftijd voldaan aan de harde eis van de werkgevers dat de pensioenpremies niet meer worden opgehoogd. Door de stijgende levensverwachting worden pensioenen duurder, wat tot voor kort steeds leidde tot hogere premies. In het conceptakkoord werken mensen langer door. Ze betalen langer premie, terwijl ze minder lang van hun pensioen genieten.

Werkgevers vreesden verder dat een verschraling van de AOW door de vakbonden via de aanvullende bedrijfspensioenen op de werkgevers zou worden verhaald. De vakbonden beloven daar nu van af te zien in ruil voor een flexibele AOW. Dit betekent dat het staatspensioen twee of drie jaar eerder kan worden genoten, maar wel bij een lagere uitkering. Hoeveel lager is nog onderwerp van discussie.

De premies worden bevroren op het niveau van 2010. Op sectorniveau kan daar aan de cao-onderhandelingstafel van worden afgeweken, maar dan gaat dat ten koste van de loonruimte.

Werkgevers beloven de extra premie die pensioenfondsen nu heffen als onderdeel van hun herstelplannen niet terug te vorderen in het geval de buffers weer aansterken. Daarmee ontstaat speelruimte voor de fondsen om hun deelnemers alsnog wat eerder te laten uittreden. Afhankelijk van de rijkdom van het fonds en eventueel aanwezige regelingen voor vroegpensioen kunnen daar grote verschillen in optreden.

Werkgevers en werknemers zijn er in grote lijnen uit hoe ze de oplopende kosten van de stijgende levensverwachting willen opvangen.

De onderhandelaars geven echter niet thuis als het gaat om een aantal andere barrières. Het meest in het oog springende is dat werkgevers en werknemers in hun conceptakkoord geen plannen hebben om werken op de oude dag aantrekkelijker te maken.

Voorstellen op dit vlak, zoals omscholing en afspraken over vervangend werk, zijn complementair aan het verhogen van de pensioenleeftijd. Het akkoord geeft enkel aan dat dit punt later dit jaar of pas in 2011 wordt besproken.

Een ander heikel onderwerp is de rigoureuze aanpassing van het pensioencontract zoals die is aangedragen door Kees Goudswaard en Jean Frijns. De experts hameren er op dat de huidige ‘nominale’ pensioentoezegging moet worden losgelaten. Deelnemers bouwen dan deels rechten op die met zekerheid voor inflatie geïndexeerd worden en deels is de uitkering afhankelijk van de fondsprestatie. Om deze verandering door te voeren is echter een aanpassing van de pensioenwet nodig. Deze sociale partners gaan hier pas vanaf volgend jaar in gesprek.

Hetzelfde geldt voor de maximale rendementen die pensioenfondsen mogen gebruiken bij het berekenen van de premie. Minister Donner wil de maxima voor volgend jaar nog voor de zomer verlagen, wat als gevolg zou hebben dat de premies bij veel fondsen omhoog moeten. Onduidelijk is of hij dit zal doorzetten wanneer de Kamer hem hiervan op 16 juni zal proberen te weerhouden.

De hoop bij werkgevers en werknemers is dat Donner zijn voorstellen intrekt, nu er eenmaal rond de AOW en het aanvullende pensioen een akkoord is bereikt. In dat geval wordt er dan in 2011 opnieuw over de prognoses nagedacht, om deze eventueel in 2012 in te voeren.

Bron: FD, 22-05-2010